In 1899 trouwden Frans Raymakers (1867-1945) en Maria Heijmans (1870-1934). Zij kregen negen kinderen, waaronder een tweeling waarvan het jongetje (Fetteke) jong overleed. Frans Raymakers was de jongste zoon van Johan Anthony Raymakers (1821-1887) en Theodora Bovens (1824-1898). Hij had nog zes broers en zeven zussen. Zijn echtgenote Maria was de op een na jongste dochter van het gezin Heijmans-Baenens uit Utrecht waar zestien kinderen geboren werden. Over dit gezin later meer.

De familie Raymakers is oorspronkelijk van boerenafkomst uit Bakel bij Helmond. De stamboom op deze website begint in 1575 met Jan Jentjen, wiens zoon Goort Jan vermoedelijk wiel- of ramaker was. Over zijn en de volgende generatie is weinig bekend. De oudst bekende goed gedocumenteerde voorvader is Goort (Hendrick) Raymakers, landbouwer te Bakel (1659-1726) die in 1695 trouwde met Jenneke Huijbers. In 1711 verhuisde hun zoon Hendrick Raymakers (1699-1740) naar Helmond. Hij trouwde in 1730 met Anna van Eijndhoven. Hij werd keurmeester van het weefambacht.

 

De oorsprong van het familiebedrijf en het familiehuis

Zijn zoon Johan Raymakers (1735-1818) was deken van het weversgilde en schepen van Helmond en bracht het tot burgemeester van Helmond onder het oude regime. Hij richtte het familiebedrijf op waarvan als stichtingsdatum 1772 wordt aangehouden. Hij was gehuwd met Hendrina van Geldrop. Hun zoon Anthony werd geboren op de Markt in Helmond in 1777. Hij kocht in circa 1843 het huis aan de Kanaaldijk (nr. 47) dat rond 1824 gebouwd was door de familie Bots naast het fabriekje dat uit 1840 stamt, dit op basis  van de nog altijd aanwezige sluitsteen boven de ingangspoort, die dit jaar noemt (met dank aan Giel van Hooff voor deze aanvulling). In diezelfde tijd (1826) werd de Zuid Willemsvaart aangelegd. Anthony overleed in 1866. Hij was getrouwd met Johanna Maria van Asten. Zij kregen twaalf kinderen, waarvan er zes voor hun derde jaar overleden, zoals blijkt uit de data in de volgende lijst: Hendrika (1815-1815),  Hendrika (1816-1889, tante Drika, huwde met Wijnand Prinzen), Johannes Antony (1817-1817), Johannes Antony (1818-1821), Henricus (1820-1820). Johannes Antony (1821-1887, trouwde met Theodora Bovens uit Maashees), Anna Catharina (tante Cato, 1823-1906, trouwde met Henri Raymakers uit Eindhoven, geen familie), Henri (1825-1891, trouwde met Maria Spoorenberg, zij waren de ouders van onder andere tante Fien (1866-1965), die bij de zusters op de Markt in Helmond woonde en bijna honderd jaar werd en van pater Henri Raymakers, missionaris in China van de missionarissen van Scheut, stichter van Missiehuis Sparrendaal. Wilhelmina (1827-1905, tante Mina, trouwde met J.F. Sanders), Antony (Antoon, 1828-1877, trouwde met Maria van Glabbeek), Jacobus (1831-1888,  Jacques, trouwde met Maria Pistorius en Paulus (1832-1833) overleed heel jong. De oudste (levende) zoon van Anthony was dus Johan Anthony (1821-1887), die het familiebedrijf voortzette en later ook het huis aan de Kanaaldijk bewoonde. Na hem werd het bewoond door zijn jongste zoon Frans met zijn gezin, waarmee dit verhaal begon.

 

De puntjes op de y

Bij de aangifte van de geboorte van Johan Anthony in 1821 is de verwarring omtrent de puntjes op de y’s in Raymakers en Anthony ontstaan. In de akte staat vader Anthony Raymakers vermeld zonder puntjes en zijn zoon Johan Anthony als Johan Anthonij Raijmakers. Toen is het niet opgemerkt. Grootvader Frans had dat al eens laten nagaan bij de geboorte van schrijver dezes (ook Johan Anthony) en de brief waarin hij dit uiteenzet is er nog. Ook nu kan men het uit de geboorteakten in het gemeentearchief lezen. Grootvader Frans schrijft ook met nadruk dat zowel Anthony, Johan Anthony, zijn vader, als hijzelf hun naam zelf altijd zonder puntjes hebben geschreven.

De verbintenis met de familie Bovens uit Maashees

Een kostschoolvriendin van een van de zusters van Johan Anthony, tante Cato, was Theodora Bovens (1824-1898) uit Maashees aan de Maas. Zij logeerde eens op de Markt en zou door een van de broers met de huifkar teruggebracht worden naar Maashees. Dat was een dag reizen, dus er moest vroeg opgestaan worden. Toen de huifkar gereed stond was de betreffende broer niet beschikbaar en werd zoon Johan Anthony, die wel uit de veren was, opgedragen de jongedame te begeleiden. De lange tocht in de huifkar heeft tot een romance geleid en een huwelijk.

De familie Bovens in Maashees had een vrachtscheepvaartbedrijf op de Maas. Ze voeren tussen Luik en Dordrecht. De familie was zeer welvarend. Ze waren oorspronkelijk afkomstig uit Urmond. Ze hadden daar het zogenaamde Heilige Geest huis bewoond, dat er nog staat. De moeder van papa Bovens heette Cremers. De familie Cremers in Maashees was ook rijk en wel zo dat het volgende verhaal werd verteld: Toen het huis van de familie Cremers in brand stond en niet meer te redden was, zag men het gesmolten zilver vanaf de trap naar buiten stromen.

Vader C.J. Bovens (1800-1888) was getrouwd met Cornelia Christina de Koning (1805-1880), uit Helden. Haar familie had eveneens een vrachtscheepvaartbedrijf op de Maas sinds meer dan honderd jaar. Deze familie was afkomstig uit Elsloo maar in de 16e eeuw naar Dordrecht verhuisd, om zakelijke redenen. Ze waren daar ook protestant geworden. Einde 18e eeuw trouwde Petrus de Koning in Utrecht in de Buurkerk met een Utrechts bloemenmeisje Petronella van Zail en zij vestigden zich weer in Limburg en werden katholiek. Het gezin Bovens telde ook twee priesterzoons.

Het huwelijk tussen Theodora Bovens en Johan Anthony Raymakers vond plaats in 1849 in Maashees. Bij de bruiloft lag de hele Maas bij Maashees vol met de schepen (toen nog zeilschepen) van de beide vloten. Een van de schepen heette ‘La belle alliance’ mogelijk duidend op de verbintenis tussen de families Bovens en de Koning. Later heette het in de familie dat als er een kindje kwam in het gezin, dat was ‘gebracht door de Belle Alliance’.

 

Het gezin van Johan Anthony en Theodora

Theodora was een flinke verstandige vrouw die veertien kinderen kreeg waarvan er twee jong stierven. De kinderen waren: Maria (1850-1913) die met Leonard Raymakers uit Eindhoven trouwde (‘Léonard de gelukkige’, van de Eindhovense Raymakers, geen familie, (grootvader van tante Noortje Verhoeven-Huysmans, die in de oorlog op de Kanaaldijk woonde), Karel (1851-1911), trouwde met Maria Coppens uit den Bosch, Philomena (1853-1895) trouwde met Henri Raymakers uit Eindhoven, broer van Leonard en in tweede huwelijk met Willem v.d. Hagen. Paulien (1855-1890) trouwde met Frans Raymakers uit Eindhoven, broer van Leonard en Henri), Stéphanie (1856-1925) trouwde met Johan van der Spek, hoofd der openbare school, Helmond, (ouders van de internist Leo van der Spek OLVG Amsterdam).  Antoon (1857-1928) trouwde met Maria Freericks  uit Waspik, Wilhelmina (1860-1864), Johan (1861-1933) trouwde met Maria Cavadino, Leonard (1862-1950) trouwde met Mathilde Freericks uit Waspik (zuster van Maria bovengenoemd), Jacques (1863-1890), trappist te Achel, Cornelia (1864-1865), Henri (1865-1939), trouwde met Mathilde Roberti uit Heer/Maastricht en ging naar België en tenslotte Frans (Franciscus Nicasius Maria, 5-8-1867-1945) die in 1899 met Maria Heijmans (1869-1934) trouwde. Er waren dus drie huwelijken Raymakers-Raymakers tussen zusters van grootvader Frans en drie broers uit de Eindhovense familie Raymakers.

Frans Raymakers en zijn broers

Frans was dus de jongste in dit grote gezin. Van hem gaat het verhaal dat hij in Weert op kostschool (bisschoppelijk college) zo’n heimwee had, dat hij te voet terug naar Helmond ging (tweeëndertig kilometer). Dit verhaal is in de roman Brocaat en Boerenbont van Edmond Nicolas, dat in Helmond speelt tijdens het leven van onze grootvader Frans (daar vooral betrekking heeft op de families de Wit en van Thiel), terechtgekomen. Enkele oudere broers van hem zaten in het familiebedrijf en hem was beloofd dat hij zou kunnen gaan studeren. Een broer van zijn moeder die priester was en pastoor in Beugen en vanuit zijn familie redelijk vermogend, had aan zijn zuster beloofd daarvoor te zorgen. Toen die heeroom overleed en moeder Theodora poolshoogte ging nemen bleek de bisschop daags tevoren alle bezittingen geconfisqueerd te hebben. Dus Frans ging niet studeren maar ook in de zaak werken.

Zijn oudste broer Karel had met broer Antoon de leiding van het bedrijf van hun vader overgenomen. Karel was lang voorzitter van de Kamer van koophandel, waarin hij zijn vader had opgevolgd, ging in de politiek en  kwam in de Tweede en later in de Eerste Kamer. Hij overleed al in 1911 (en kreeg later een eigen straat in Helmond). Hij liet een huis bouwen op Kanaaldijk nummer 59 waaraan later de nieuwe fabrieksgebouwen vastgebouwd werden en dat in de jaren dertig tot kantoor werd.

Broer Leonard ging al op rentenieren toen hij vijfenveertig was (hij had een margarinefabriek gehad). Hij was getrouwd met Mathilde Freericks uit Waspik (en zijn broer Antoon met haar zus Maria) en zij woonden aanvankelijk op de Kanaaldijk in een huis dat stond tussen de spoorlijn en de garenfabriek van Carp. Ze kregen geen kinderen. Hij verhuisde naar Geldrop naar een grote villa op de Heuvel. Toen het zich liet aanzien dat hij zeer oud zou worden, terwijl hij al lang van zijn vermogen leefde, verkocht hij dat huis en bouwde in de tuin een modern kleiner huis (in mijn ogen nog altijd groot) om daar met zijn vrouw de laatste jaren te slijten.

In de voorkamer van dat huis waren de wanden behangen met familieportretten, waardoor het er erg donker leek. Dit waren fotografische reproducties op gelijke grootte van allerlei portretten in olieverf en pastel. Een belangrijk deel waren pastelportretten van de familie Bovens-de Koning teruggaand tot midden 18e eeuw, die in de familie aanwezig waren en zijn terechtgekomen bij een andere tak, de familie Bernegau in Duitsland. Een neef Hein van der Hagen (zoon in tweede huwelijk van tante Philomena, zuster van oom Leonard en grootvader Frans) heeft veel moeite gedaan om de familiehistorie op papier te zetten. Daarvan bestaat een boek met teksten en reproducties van de portretten. Oom Leonard liet gelijkvormige ingelijste reproducties van de portretten maken met op de achterkant een levensbeschrijving van de persoon/personen in druk. Aan het einde van zijn leven heeft oom Leonard die portretten geschonken aan oom Leo, zijn neef, petekind en naamgenoot. Ze hebben sindsdien op de overloop boven aan de trap in het huis op de Kanaaldijk gehangen. Oom Leonard herinner ik me als een vrij norse oude man en tante Mathilde herinner ik me vaag. Ze zijn niet lang na elkaar gestorven in 1950-1951. Oom Leonard had een contractuur van Dupuytren in zijn rechterhand en gaf je een hand terwijl de twee laatste vingers gesloten waren, wat mijn nieuwsgierigheid opwekte. Zondagmiddag-bezoekjes behoorden tot het min of meer verplichte familieritueel. Broer Henri trouwde met een meisje Roberti uit Heer bij Maastricht en ging in 1896 naar België en begon een margarinefabriek in Lier. Zij kregen twee zonen: Emiel en Leo. Broer Jacques werd trappist in Achel maar overleed al op 27 jarige leeftijd (hij is er op het familieportret van de gebroeders Raymakers, allemaal besnorde en bebaarde heren, duidelijk bijgeplakt). Frans Raymakers trouwde op 30 mei 1899 in Amsterdam, Met Maria Heijmans (Miesje).Zij kregen zoals gezegd negen kinderen: Johan, Rudolf, Karel, Maria (Mies), Thea, Joke, Sjef en Leo. Thea had een tweelingbroertje Fetteke, dat jong overleed.

 

De achtergrond van grootmoeder Maria Heijmans

Vader Heijmans was wijnhandelaar in Utrecht. Het gezin woonde op de Oude Gracht zuidwest, drie huizen van de Lange Smeestraat. Wat later Finjé’s stadskelder en nog later Bloem aan de werven langs de Oudegracht was, was hun eigendom. Moeder Hansje Baenens was afkomstig uit Wijk bij Duurstede. De familie Heijmans was zeer muzikaal. Alle kinderen bespeelden een muziekinstrument, zo ook dochter Miesje (Maria). Ze speelde goed piano en had een mooie stem. Toen ze getrouwd was apprecieerden haar jongste zoons Sjef en Leo niet dat ze zich op de muziek toelegde en zetten als kleuters onder de piano een keel op wanneer zij speelde. Uit de familie Heijmans weten we betrekkelijk weinig.

Toen grootmoeder Miesje Heijmans met grootvader Frans trouwde in Amsterdam, was ze al wees en woonde ze bij haar zus Jacqueline en haar man Leo Sassen in Amsterdam. Deze laatste was haar voogd. Van daaruit is ze getrouwd.  Hoe ze elkaar hebben leren kennen is mij niet bekend. Haar zwager beheerde ook haar erfdeel. In de eerste vijf jaar van het huwelijk is er door Frans een juridische strijd met Leo Sassen gevoerd (waarvan de gehele correspondentie nog bestaat) over het erfdeel van Miesje, dat hij beheerde maar niet kon opleveren. Een broer van Miesje, ook Frans geheten, was arts te Utrecht. Deze had een zoon die eveneens huisarts werd in Utrecht (Moreelsepark). Ook was er een zuster Cato, dominicanes in Voorschoten en pianolerares. Vermeldenswaardig is ook dat Miesje een broer had, Engelbert, die een priesteropleiding kreeg tot dominicaan, maar aan zijn roeping ging twijfelen en het kloosterleven wilde verlaten. Hij werd echter gesnapt en door zijn orde ‘verbannen’ naar Sardinie, waar hij ‘in een geur van heiligheid’ gestorven is en begraven ligt op het kerkhof van Cagliari (‘P. Giovanni Heijmans, Dominicano, 1853-1906’).

 

De muzikaliteit van de familie Heijmans is in de kinderen van Frans en Maria Raymakers-Heijmans maar weinig tot ontplooiing gekomen. De meest artistieke was oom Karel. Hij speelde viool, maar moest zijn viool afstaan aan een neefje Heijmans in een gezin waar men het niet breed had. Hij kon zeer goed tekenen. Oudste zoon Johan (Joop) en dochter Mies speelden piano.

 

Het gezin van Frans en Maria in het huis aan de Kanaaldijk

Het huis aan de Kanaaldijk dat het gezin van grootvader Frans bewoonde, werd na 1912 te klein. Eerst werd een kleine aanbouw toegevoegd achter de huiskamer en naast de keuken als slaapkamer voor de ouders. Moeder Raymakers-Heijmans kon door hartbezwaren moeilijk trappenlopen. Bij de zilveren bruiloft in 1924 werd een flinke verbouwing uitgevoerd. De salon (onze huiskamer) werd er aangebouwd en de gang verlengd en de oorspronkelijke voor en achterkamer werden samengevoegd tot de zaal. De rekeningen en offertes van de bouwmaterialen uit Helmond, de fraaie parketvloeren, marmeren schouwen, gestucte plafonds en meubels (alles uit België, meest Antwerpen) zijn er nog. Boven werd de oude badkamer halverwege de gang verbouwd tot een gangetje met schuifkasten dat naar de nieuwe slaapkamer van zoon Sjef  en nog een grote slaapkamer leidde. Een nieuwe badkamer werd aan het einde van de gang aangebouwd op het dak van het aanpalende fabrieksgebouw. In het souterrain van de aanbouw werd een biljartkamer ingericht met  een open haard en een balkenplafond die veel later de naam ‘Herberg in ’t Misverstand’ kreeg naar de titel van een roman van Antoon Coolen.

De toespraak van grootvader Frans bij dit zilveren huwelijksfeest is er nog. Hij vermaant daarin zijn dierbare kinderen, om hun vrome moeder hun liefde en dankbaarheid te bewijzen door flinke brave Katholieke leden der maatschappij te worden. Broers Antoon, Leonard en Henri en neef Willem (getrouwd met Jeanne de Werd) zoon van zijn oudste overleden broer Karel, waren daarbij aanwezig.

De verbouwing kwam goed van pas toen de huwelijksfeesten van de oudste dochters gevierd moesten worden. Voor de bruiloft van tante Thea werd de afscheiding tussen de zaal en salon (de schuifdeuren met de servieskasten ter weerszijden, die daarop gemaakt waren), verwijderd zodat er een grote dinerzaal van zeventien meter lengte ontstond.

Vanaf begin 1927 trouwden er kinderen: Oom Johan (mijnheer Johan in de fabriek, Joop in de familie), die in Delft ingenieur geworden was, trouwde met Mies van Dijk uit Delft. Ruud trouwde met Olphie van Alphen, dochter van notaris van Alphen uit Helmond, Karel met Tiny Keulen, dochter van de notaris uit Eersel, Mies trouwde met Willem Weitjens, jurist, die rechter werd op Curacao, later in Amsterdam. Thea die onderwijzeres was trouwde met René Höppener uit Roermond (staatssecretaris in het derde kabinet Drees en burgemeester van Roermond), die ze in Utrecht had leren kennen en Joke met Jozef (Sef) Notermans, jurist uit Venlo. Toen bleef het lang stil tot Sjef en Leo een maand na elkaar in 1939 trouwden met Vera Aukes, dochter van één van de EDAH-firmanten (= Ebben, Damen, Aukes en Hettema) uit Helmond en Zus Verhoeven uit Asten, dochter van de huisarts aldaar.

 

Het behoud van het familievermogen

Door de slechte economische omstandigheden na de crisis van 1929 en de protectionistische houding van Engeland die daarop volgde werd besloten een dochterbedrijf in Engeland te beginnen. Karel, gehuwd met Tiny Keulen, dochter van de notaris uit Eersel, vertrok met zijn gezin van vier kinderen naar Engeland en vestigde zich in Accrington in Lancashire. Hij begon daar een veloursweverij die goed gedraaid heeft door de oorlogsjaren heen en in de jaren 50 is geliquideerd. De firmanten van Raymakers Brothers Ltd., waren Karel, Sjef en Leo.

Om te voorkomen dat bij de overdracht van het vermogen een groot deel naar de fiscus verdween, vestigde grootvader zich met zijn vrouw Maria en hun huishoudster Dientje van Gulick in 1931-33 (tijdelijk) in Westmalle in België in de villa Torenhof. Hij wilde daar zijn vermogen verdelen onder zijn kinderen zonder dat de Nederlandse successiewet erop van toepassing zou zijn. Er was namelijk geen aangifteplicht voor schenkingen vanuit het buitenland. Zo kreeg elk kind f 20.000 in contanten en 95 aandelen in het bedrijf. Sjef bleef in het huis aan de Kanaaldijk wonen. Leo studeerde toen in Utrecht en de andere kinderen waren allen getrouwd.

Grootvader had al in de twintiger jaren grond verworven in Bakel en daar een theehuisje neergezet met een overhuifd terras. Een perceel daarvan werd op naam van de oudste drie kleinzoons: Frans, Rudolf en Peter gezet. Hun voorletters zijn nog in het mozaiekterras te lezen. In 1933 liet hij het huis op de Rayse Hey bouwen (voor 7000 gulden) en de vijver en het bruggetje aanleggen (zie hun foto bij het artikel ‘De Rayse Heij’).

In de zomer van 1934, kort nadat het 35-jarig huwelijksfeest gevierd was, stierf oma Raymakers in Helmond aan een beroerte, ze had al een zwakke gezondheid. Daarmee was ook het ‘fiscale’ verblijf in België afgelopen. In datzelfde jaar verloofden Leo en Zus Verhoeven zich.

 

Familieleden in de leiding van het bedrijf

Omdat Frans de jongste uit zijn gezin was, bleef hij ook het langst directeur, tot zijn dood in 1945. Hij heeft het familiebedrijf tot grote bloei gebracht. Hij was door en door thuis in het bedrijf, kende alle werknemers en sprak met hen, liep dagelijks door het bedrijf en maakte zonodig op- en aanmerkingen. In de bloeitijd telde het bedrijf 1.500 werknemers.

Medefirmant neef Willem, zoon van oudste broer Karel had als kinderen o.a.: Karel, huisarts te Amsterdam, Anthony, huisarts te Mook, Guus (August), Jo, maatschappelijk werkster en Annemarie die als jonge vrouw plotseling overleed tijdens een tandheelkundige behandeling (novocaine-overgevoeligheid?). Na het overlijden van Willem wilden zijn erfgenamen diens invloed in de firma behouden. Daartegen had grootvader Frans bezwaar omdat hij hen daartoe niet geschikt achtte. Het is tot een rechtszaak gekomen waarin de eis is afgekocht met een jaarlijkse betaling aan de erfgenamen gedurende dertig jaar die gebaseerd was op de omzet (niet op de winst!). Deze blijvende aderlating en de eenmalige buitensporige vermogensaanwas belasting die de overheid na de oorlog oplegde aan aandeelhouders, waren een zodanige aanslag op de liquiditeiten dat het bedrijf financieel na de oorlog nooit meer echt gezond is geweest. Grootvader had ook als mededirecteur in de fabriek aangesteld de man van zijn nichtje Dora (dochter van Karel), Dick van Schuppen .

Het was de bedoeling van grootvader Frans, dat zijn zoons het familiebedrijf zouden blijven besturen en overnemen. Hij vond dat al zijn zoons het bedrijf moesten kennen en zo heeft ook Leo (die later huisarts werd) een jaar in het bedrijf gewerkt na zijn gymnasiumtijd in 1929, maar hij koos er toch voor om medicijnen te gaan studeren in Utrecht. Hij heeft zelf achter de weefgetouwen gestaan en was goed op de hoogte van het weversvak.

In de dertiger jaren ging het textielbedrijf van de familie Swinkels verderop aan de Kanaaldijk failliet en werd door Raymakers overgenomen. De bedrijfsterreinen werden daardoor nogal uitgestrekt. Het bijbehorende kapitale huis (met een enorme tuin) op no. 77 werd bij hun huwelijk door oom Sjef en tante Vera betrokken. In hun souterrain woonde de oude keukenmeid van het gezin Raymakers met haar man, Mien van de Ven. Zij kon erg goed koken en werd bij allerlei familiegebeurtenissen ingezet om het diner te verzorgen. De man, Nard, zorgde voor de enorme tuin waarin wij als kinderen vaak gespeeld hebben. Oom Sjef en tante Vera hadden geen kinderen. Oom Sjef had notariaat gestudeerd maar is daar niet in doorgegaan. Hij begon een nacht- en theelichtenfabriek. Die was gehuisvest in een fabrieksgebouwtje achter in de tuin van het familiehuis op Kanaaldijk 47. Het kaarsenfabriekje staat er nu nog. Jarenlang hebben we met kerstmis onze kaarsen van deze fabriek betrokken en hebben we de fabricage van nabij kunnen bekijken. Oom Sjef is jarenlang in de lokale politiek geweest m.n. als locoburgemeester. Veel neefjes en nichtjes hebben bij tante Vera en oom Sjef gelogeerd. Oom Johan betrok bij zijn huwelijk met Mies van Dijk een huis in de Emmastraat no 8, waarvan de tuin aan de achterzijde aan het fabrieksterrein grensde.

 

De ontwikkeling van het bedrijf na de tweede wereldoorlog

Na de oorlog en de dood van grootvader Frans heeft het familietextielbedrijf een aantal jaren gefloreerd. Het was oorspronkelijk een bontweverij en ververij. Daaraan is toegevoegd een plucheweverij waar o.a. gordijn- en meubelstoffen werden geweven, ook fraaie jacquardweefsels en uitgeschoren velours, die ook bedrukt werden. Het is een van de grootste veloursweverijen van Europa geweest. Er was ook een dekenweverij. Voor de tweede wereldoorlog werden ook gabardine en legeruniformstof gemaakt. Inslaggarens voor dekens werden voor een deel zelf gesponnen in de spinnerij uit restmateriaal (vodden). Het verven van de garens voor de plucheweverij was een van de sterke kanten van het bedrijf. Het enorme gordijn voor het statieportret van koningin Juliana bij haar inhuldiging in 1948 is in recordtijd geleverd (geweven, geverfd en geapprêteerd) door Raymakers. Enkele jaren later, in 1951, kreeg het bedrijf het predicaat koninklijk.

In de oude gebouwen van Swinkels was in de jaren30 een kunstzijdeweverij gestart en tenslotte werd eind jaren 30 ook boeklinnen en kunstleer gemaakt, in de gebouwen naast het familiehuis op de Kanaaldijk, waar ook een deel van de kaarsenfabricage plaats vond.. Een deel van die gebouwen bestond uit houten opslagzolders waar grote hoeveelheden synthetische verfstoffen en producten voor de kunstleerproductie stonden opgeslagen in vaten. Dat hebben we geweten toen het hele zaakje in de zomer van 1948 afbrandde, waarbij het huis maar nauwelijks gespaard bleef en rook- en waterschade opliep. Toen dat herbouwd was is eerst de boeklinnen /calico/ kunstleerfabriek hervat en later is men begonnen met de vervaardiging van vaste vloerbedekking. De expertise daarvoor leek in het verlengde van de plucheweverij te liggen, waarin ze experts waren, maar het viel tegen. De prima producten liggen nog bij sommige familieleden maar de concurrentie was te groot. In de jaren zestig is de tapijtweverij gestaakt. In de jaren 80 is het hele bedrijf geliquideerd en onder de naam Raymakers opnieuw begonnen, in afgeslankte vorm, op dezelfde plaats met nieuwe leiding en nieuw kapitaal van buiten de familie.

Het bedrijf maakte zoals veel fabrieken in de 19e eeuw zijn eigen elektriciteit. Ook het huis op de Kanaaldijk was daarop aangesloten. In de spinnerij kon je nog zien hoe het aanvankelijk helemaal met lokale stoommachines had gewerkt (distributiebomen met riemenpoelies door de hele hal langs het dak). Er was een heel indrukwekkende centrale machinekamer, waar twee liggende stoommachines, de grootste met een vliegwiel van een meter of 6 doorsnee, de stroom opwekten. De stoom werd opgewekt in twee enorme met kolen gestookte ketels, naast 10 m hoge kolensilo’s. Het was heel indrukwekkend door het kijkgat in het enorme vuur te kijken. De kolen werden per boot en per Van Gent & Loos containerauto aangevoerd. Later werd overgegaan op ruwe olie. De stoom werd voor een groot deel opgewekt voor de ververij en allerlei andere processen in de productbewerking en door buizen over het hele fabrieksterrein getransporteerd. Het was echter tot in de jaren 60 interessant om met de restenergie daarvan zelf stroom op te wekken. Een groot deel werd natuurlijk ook betrokken van het elektriciteitsbedrijf. Als aan het eind van de dag de vuren afgedekt werden, werden de stoommachines stilgezet en werd de stroom- voorziening omgeschakeld naar het elektriciteitsnet. In ons huis aan de Kanaaldijk gaf dat even een dip in het licht met als gevolg dat een elektrische klok, die moeder van haar vader had geërfd stilstond. Ik herinner me nog haar ergernis daarover. De centrale verwarming, die begin 1946 werd aangelegd toen wij naar de Kanaaldijk verhuisden werd ook vanuit de centrale stoomvoorziening verwarmd.

De banden tussen de familie en het bedrijf

Een van de kenmerken van een ouderwets familiebedrijf was dat er met de werknemers een zekere mate van familiariteit bestond ook met familieleden die niet in de leiding werkzaam waren. Het bedrijf had zijn eigen technische, elektrische  en timmerwerkplaats en garage. Men onderhield zelf machines, installaties, gebouwen, vrachtwagens en auto’s. De huishouding van de directeur en diens gezinsleden deelde daarin mee. Daar hebben wij ook allemaal van kunnen profiteren. Er reden twee ‘luxe wagens’ voor de fabriek: de N1511 en de N12396 die ook met chauffeur ter beschikking stonden aan de familie. Toen onze ouders (Leo en Zus) op huwelijksreis gingen vertrokken ze met de nachttrein naar Nice en logeerden daar in Hotel Ruhl et des Anglais. Grootvader Frans stuurde tegelijkertijd Janus Kamp, chauffeur en Piet Wijnheimer, hoofdboekhouder met de N1511 (een grijze Ford decapotable) naar Nice zodat onze ouders over een auto konden beschikken. Met die auto hebben onze ouders drie weken rondgetoerd en zijn ze thuisgekomen. De beide heren echter maakten meteen rechtsomkeert met de trein, hetgeen Janus ‘een straf’ noemde. Hij kon namelijk met niemand in de trein praten want in Frankrijk verstonden ze geen Helmonds. In Duitsland, waarheen hij de familie regelmatig op reisjes had vergezeld kon hij met plat Helmonds prima terecht en kon hij alles voor elkaar krijgen als een reparatie aan de auto nodig was.

Ook op andere manieren hebben we van die diensten van de fabriek geprofiteerd. Dat bestond in levering van gordijn-, meubelstoffen en tapijt, maar in de diensten van een chauffeur, (Janus Kamp of Frits Swinkels), een verhuizing naar de Rayse Heij of een ander vakantieoord, waarvoor een vrachtwagen vol meubilair meeging of een reparatie in huis. Met het groter worden van de familie werd dat natuurlijk niet meer haalbaar. Met al die mensen had je een duidelijke band, ook al was het gezin niet direct bij het bedrijf betrokken.

 

Grootvader Frans in zijn laatste jaren

In 1942 is de 75e verjaardag van grootvader met de hele familie gevierd. Daarvan is er een prachtige foto op het bordes van het huis, met alle kinderen en kleinkinderen, en oom Leonard. Alleen het gezin van Oom Karel en tante Tiny ontbreekt omdat zij in Engeland zaten en door de oorlog niet konden overkomen. Ook tante Mathilde ontbreekt.

Grootvader Frans was hardhorend. Hij scheen dat al te hebben opgelopen bij een infectieziekte in zijn jeugd (tyfus op 5 jaar??). Hij hield altijd zijn hand achter zijn oor als je tegen hem sprak en liet de kleinkinderen naar zijn zakhorloge luisteren om te  zien of ze wel goed konden horen. Ik herinner me hem als een oude vriendelijke rustige man in zijn stoel bij het raam in de huiskamer (wat later de spreekkamer van oom Leo was). Er was een schoorsteenmantel en tegen de wand met de keuken stond een Mechelse kast. In die kamer vonden ook de ontvangsten van Sinterklaas voor de hele familie plaats, waarvan ik er twee heb meegemaakt. Alle kleinkinderen van toen, zaten in een kring op de grond met Sinterklaas in een grote stoel voor de haard. Daarna was er in de zaal een uitstalling van de cadeaus voor alle kleinkinderen (uiteindelijk kreeg grootvader 36 kleinkinderen, toen nog 29 of 30).

 

Het huis aan de Kanaaldijk krijgt nieuwe bewoners

In 1945 overleed grootvader Frans. Geen van de oudere zoons wilde in het huis, dat door Rud geërfd werd, komen wonen en dus werd het tot huisartsenpraktijkhuis ingericht voor het gezin van de jongste zoon Leo. Er werd het nodige verbouwd: een zijingang voor de praktijk en een wachtkamer in wat vroeger de ouderslaapkamer achter de huiskamer was. De huiskamer werd spreekkamer. De biljartkamer in het souterrain kreeg meer ramen en werd kinderkamer en een toegang via een nieuwe trap achter in de gang. De oude slaapkamer van oom Sjef, die voor tante Noortje tijdens de oorlog tot keuken was ingericht werd bij de naastliggende slaapkamer getrokken voor onze ouders. Er werd centrale verwarming aangelegd. In het voorjaar van 1946 trokken we erin. Het was veel minder somber dan ik het tevoren gekend had.

In 1946 kwam oom Karel met zijn gezin op bezoek in Helmond voor het eerst na de bevrijding. Hij was als liaison officer met de Engelse troepen meegekomen tijdens het bevrijdingsoffensief maar uiteraard teruggegaan naar zijn gezin en bedrijf. Het was een groot familiefeest in het familiehuis.

In 1954 trouwde Marijke, dochter van oom Karel en tante Tiny met Victor Keunen uit Vught. Ze woonden toen nog in Engeland, hoewel er plannen waren om definitief naar Nederland terug te keren. Onze ouders (tante Zus en oom Leo) boden aan dat Marijke vanuit het familiehuis zou trouwen. Ze heeft toen met haar ouders twee maanden bij ons gewoond en het werd een droomfeest. Een jaar later werd het bedrijf in Engeland geliquideerd en de bouw van een prachtig huis aan de Aarle-Rixtelseweg gestart dat in 1956 betrokken werd.

Het huis op de Kanaaldijk is nog éénmaal getuige van een huwelijksfeest geweest: Renée Raymakers trouwde er met Paul de Roo in 1974.

Nadat hij er bijna vijfendertig jaar de huisartsenpraktijk had uitgeoefend overleed oom Leo in januari 1980. Zijn vrouw, tante Zus, bleef daarna nog ruim twee jaar in het huis wonen, terwijl de praktijk door een waarnemer die later opvolger werd, werd voortgezet. Tante Zus verliet het huis, dat tot het onroerend goed van de fabriek behoorde, in 1982 na een open dag waar veel familieleden nog een laatste maal door het oude huis konden dwalen. Het huis werd verkocht en is diverse malen in andere handen overgegaan, maar werd recent gelukkig heringericht in de oude stijl.

 

Het einde van het familiebedrijf

In de jaren tachtig bleek het niet mogelijk het bedrijf als familie in stand te houden. De naam is behouden gebleven, maar na een drastische afslankmanoeuvre is met kapitaal van buiten met andere leiding een nieuwe start gemaakt, op dezelfde plaats. Nu, in 2006, wordt nog steeds velours gefabriceerd. Er is geen Raymakers meer aan het bedrijf verbonden.

 

Janthony Raijmakers

(januari 2006)