Weinig onderwerpen binden ons als geboren ‘Rayen’ zozeer als onze herinneringen aan de ‘Rayse Heij’, een landgoed gelegen even ten oosten van onze vaderstad Helmond tussen de Bakelse Dijk en de huidige wijk ‘Rijpelberg’. Ruim drie generaties Raymakers, maar ook honderden anderen genoten er van de gastvrijheid van de familie en de paradijselijke natuur die God ons gaf. Onder hen pastoors, politici, fabrikanten, kunstenaars, natuurliefhebbers, honderden welpen en verkenners uit de verre omgeving. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleven er onderduikers en een Engelse RAF-piloot gaf er zijn leven. Maar ook studenten, conferentiegangers, drugverslaafden, vluchtelingen en zelfs een atoomspion uit Zuid Korea vonden hier een hartelijk onthaal. Wie zou zien en horen wat de oudste bomen van de ‘Rayse Heij’ gezien en gehoord hebben, zou er een boek over kunnen schrijven, en daarmee een stuk Helmondse geschiedenis van bijna zeventig jaar[1].
De naamgeving
De naam ‘Rayse Heij’ was, en is ook nu nog, een begrip bij ontelbare Helmonders. Weinigen onder hen weten echter waar de naam vandaan komt en denken dan meestal aan een landgoed waar de familie Raymakers een stuk heidegrond bezat. Deze gedachte wordt nog versterkt doordat de lange straat die vanuit Helmond richting Bakel liep vanouds de ‘Hei-straat’ wordt genoemd. En inderdaad lag op de ‘Rayse Heij’, rechts van de huidige oprijlaan en vlak voor het zogenoemde ‘brugje’ een prachtig stukje heide met jeneverbessen.
De naam ‘Rayse Heij’ werd echter bewust gekozen om de herinnering te bewaren aan de familie die het landgoed kocht, de familie Frans Raymakers-Heijmans.

Afb. 1 De Rayse Heij (foto waarschijnlijk uit periode 1960-1970).
Het landgoed
Voorvader Frans Raymakers kocht voor zijn kinderen in1929 de ‘Rayse Heij’, toen gelegen in de gemeente Bakel-Milheeze. Het terrein dat hij kocht was één van de mooie en unieke natuurgebieden rond Helmond. Ruim 16 hectare afwisselend natuurschoon van naald- en loofbos, een grote zandverstuiving, in onze kindermond beter bekend als ‘de Zandvlakte’, en een stukje hei.
Theehuis
Iets voor de plek waar de ‘Zandvlakte’ begon, lag een groot donker bosperceel met een klein huis dat bekend is als ‘het Theehuis’. Het werd waarschijnlijk gebouwd in 1929. Het was een eenvoudig vierkant houten gebouwtje van ca. 7 bij 7 meter met een groot overdekt terras. In het oorspronkelijke mozaïek terras van het Theehuis liet grootvader Frans in 1929 de namen schrijven van zijn drie oudste kleinzonen: Frans Jzn, Goort (Peter) Kzn. en Rudolph Rzn. Het ‘Theehuis’ is dus het eerste huis dat op de ‘Rayse Heij’ gebouwd werd, en een plek waar ook groot-moeder Heijmans – die al in 1934 stierf – nog enkele jaren heeft kunnen genieten van de ‘Rayse Heij’. Later werd het Theehuis, voorzien van een keukentje en een pomp, regelmatig gebruikt als vakantiehuis.
Het Weversnest
Midden op het uitgestrekte landgoed stond een klein maar uniek woonhuis waar de familie Raymakers ruim 50 jaar lang een deel van hun zomervakanties en zelfs af en toe de winter doorbracht. Naast dit huis lag een terras van waaruit je kon kijken opeen wat lager gelegen en door bossen omgeven ven bekend als ‘de Vijver’ waar gespeeld en genoten werd van de zon, het zandstrand, het koele water, de stilte en last but not least van de kabouters -uit België- die ons van alle kanten nieuwsgierig bespiedden.
Grootvader Frans liet zijn ‘Weversnest’ ontwerpen door H.F. Sijmons [1881-1961] een Gooische architect, waarvan menig gebouw tegenwoordig op de monumentenlijst staat. Het huis werd in 1932/1933 gebouwd voor een bedrag van zevenduizend. Nederlandse guldens en met riet bedekt voor, geloof het of niet, 480 gulden.
Het zomerhuis was niet alleen uniek vanwege de ligging en de rust die ervan uitging, maar ook vanwege de architectuur. Aan de buitenkant doet het denken aan een schip of ark met in de boeg een toren als steven, twee grote ramen en twee ‘patrijspoorten’, en het geheel overdekt met een rieten dak. Aan de toren hangt een klok die naar ik begrepen heb afkomstig is van ons stamhuis aan de Kanaaldijk, en waarschijnlijk in 1887 is gegoten door de firma Petit & Fritsen in Aarle Rixtel.
Zoals het huis van grootvader Frans in Helmond de bijnaam ‘Het Weversnest’ kreeg, ontving ook het huis op de ‘Rayse Heij’, de naam ‘Weversnest’ een naam die het huis tot op de dag van vandaag draagt.
Het interieur
De binnenkant van het huis was al even uniek als de buitenkant en leek ook daar op een schip: een reusachtige zitkamer met twee grote ramen aan beide zijden van een open haard, twee ronde raampjes hoog in de boeg, een grote schuifdeur naar het terras, en een grote ingebouwde servieskast met een doorgeefluik richting keuken. Boven de tafel hing een gaslamp gestookt met butagas uit flessen die buiten stonden. Elektriciteit was er nog niet en alle lampen waren aangesloten op grote batterijen die regelmatig gevuld of vervangen moesten worden. Op de vloer van de zitkamer lagen gele boerentegels en in de gang en de keuken waren de tegels rood. In het ‘achterschip’ van het huis lag de corridor met een kleine slaapkamer waar plaats was voor twee bedden, twee toiletruimten, een douche en een keuken. In de keuken stonden een waterpomp en een fornuis. Tot 1945 stookte we het fornuis op hout, later werd dat vervangen door een gasfornuis met butagasflessen. De waterpomp werd met de hand bediend en vulde een groot waterreservoir op de zolder. Dit waterpompen was een dagelijks karweitje van minimaal een uur waarbij menigmaal hete tranen en soms heel wat woorden en zweetdruppels vielen. Ook het bovenhuis was bijzonder. Vanuit de woonkamer liep een steile houten trap via een soort stuurmansbrug naar boven naar een viertal kleine slaapkamers met ieder twee brede houten bedden boven elkaar. Hier had iedere kamer een prachtig uitzicht op de vijver aan de voorzijde of op het zogeheten achterbos naar het zuiden.
Het hele huis was voorzien van houten deuren en kasten met zware gietijzeren scharnieren en sloten en geschilderd in heldere kleuren: oranje, rood en groen. In iedere deur zat een klein rechthoekig raam met oranje gekleurd ondoorzichtig glas.
Om het woonhuis en het bijliggende ven te bereiken moest je vanaf de Bakelse Dijk bijna zeshonderd meter lopen, fietsen of autorijden via een smal, glooiend, kronkelig en, afhankelijk van het weer, stoffig of modderig bospad en aan het eind onder een klein met klimop overdekt viaduct door.
De zandvlakte
De ‘zandvlakte’ was een reusachtige natuurlijke zandverstuiving met een duinpan omgeven door hoge zandheuvels en bossen. Een waar paradijs voor kinderen, natuurfreaks en avonturiers. In de zomer van 1935 vond de grote ‘Rimboedag’ van alle welpen en verkenners uit de Regio Zuid-oost Brabant (inclusief Eindhoven) plaats en later het vakantiekamp van de Canisiusgroep van de Helmondse Verkenners.
Ieder van ons heeft zo zijn of haar eigen herinneringen aan die ‘Zandvlakte’, waar je jezelf, in de hitte van de zomerzon en de volmaakte stilte, voelde als in de ‘Sahara’.
Mijn tweelingbroer Severus en ik speelden er in de zomer van 1947, twee jaar na de oorlog, ons eigen ‘oorlogje’, samen met Vincent en een gevangengenomen ‘mof’ in de persoon van Hendrik Jan Romme, die, dat realiseerden wij ons toen helaas onvoldoende, net een ‘Jappenkamp’ in Nederlands-Indië had overleefd. De kleding die wij bij het spelen droegen had onze vader (Johan Franszn.) als ‘buit’ uit Nazi-Duitsland meegebracht. Het enige geluid dat wij op de zandvlakte ooit hoorden waren de klanken van de klok van het ‘verre’ woonhuis die ons opriepen voor de lunch of het avondmaal!

Afb. 2. Een lachende Frans Raymakers en Maria Heijmans, op het terras van de Rayse Heij (foto: 1930-1934).
Het gebruik van de Rayse Heij
In het theehuis vond in April 1930 de eerste familiereünie van de Familie Raymakers-Heijmans plaats en twee maanden later, in juni, de reünie van de voltallige familie Johan Raymakers-van Dijk uit Delft.
Tussen 1930 en 1975 is de Rayse Heij door de familie voornamelijk in de zomer gebruikt als vakantieoord. De voorzieningen van het woonhuis waren primitief. Er was nog geen stromend water, geen elektriciteit en behalve een open haard geen verwarming. Hierdoor leende het huis zich niet voor een winters verblijf.
Vóór de Tweede Wereldoorlog, in de periode 1930-1940, logeerden voornamelijk grootvader en grootmoeder, en de meeste van hun kinderen en kleinkinderen er.
Bijna alle ooms en tantes van mijn generatie, oom Rud en tante Olphie, oom Wim en tante Mies uit Den Haag, oom René en tante Thea uit Roermond, oom Sef en tante Joke uit Venlo, oom Sjef en tante Vera en oom Leo en tante Zus, logeerden er regelmatig samen met hun kinderen of met hun vrienden of kennissen. Alleen oom Karel en tante Tiny zijn er veel minder vaak geweest omdat zij al in 1933 naar het Engelse Accrington vertrokken.
Oorlogsgasten
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de ‘Rayse Heij’ meer een toevluchtsoord of schuilplaats dan een vakantieoord. Omdat thuis in Helmond aan voedsel een tekort was, werd de ‘Rayse Heij’ een soort revalidatieoord. In de ‘Rijpelberg’, richting Bakelse Aa, lag namelijk een kring van boerderijen waar je van alles kon krijgen: melk, kaas en eieren, levensmiddelen die in Helmond en overal elders ‘op de bon’ waren.
Leerschool
Een van onze buren was ‘boer Rijkers’ bij wie wij als kinderen altijd welkom waren en verwend werden met ‘mik’ en ‘spek’, ‘kumkes melk’, een ‘tasse leut’ (koffie voor de ‘grote mensen’) en ‘streuf’, een heerlijke pannekoek met verse kersen uit ‘den bongerd’ en met stroop. Tijdens het kersen eten zat je op harde houten banken of op met stro gevlochten stoelen, vlogen de vliegen in je mond en spuugden onze gastboeren de kersenpitten over de tafel heen. Boven onze hoofden hingen de spinnewebben en lange rollen ‘gestroopte’ vliegenvangers. Ook de gebezigde taal was gezond en gepeperd.
In de ‘verkensstal’ en de melkerij leerden Severus en ik onze eerste lessen in goed Brabants, zijnde niet-Helmonds, dialect. Ook nieuw voor ons waren de geuren van verse volle melk, in die tijd was dat een luxe, gekarnde boter, kaas en niet te vergeten die van hooi, stro en stront. Dat waren nog eens ervaringen waarover je thuis en op school kon praten.
Boer Veldhoven
Eenzelfde verhaal gold voor onze ‘buren’ op de Bakelse Dijk, de familie Veldhoven. ‘Boer Veldhoven’ bezat een kleine boerderij naast de ingang van de ‘Rayse Heij’. Hij verdiende zijn brood gedeeltelijk als boer, maar ook als ‘vrachtvoerder’ op de fabriek waar hij met twee paarden en een houten kar allerlei karweitjes verrichtte. Zijn huis bestond uit een woongedeelte aan de voorkant en een grote varkensstal achter. In de keuken stond een groot houtfornuis en een stenen aanrecht met een prachtige koperen handpomp.
Het ‘toilet’ lag in de varkensstal en bestond uit een houten ‘plee-zit’ met een rond gat en houten deksel, gebouwd over een kuil waarvan de inhoud uitkwam op de beerput. Ik vond het er niet ongezellig (niet in de beerput, maar op de boerderij!) want de biggen en varkens lagen vlak naast je heerlijk te knorren. Fris kon het er ook zijn en dan vooral in de winter, want los van de stalgeur woei de wind door grote kieren naar binnen. In de boomgaard van boer Veldhoven stond een variatie aan appel-, peren- en pruimenbomen waarvan wij af en toe profiteerden.
Vermomd
Tijdens de oorlogsjaren was mijn vader Johan vanaf juli 1943 ondergedoken in de Gerwense bossen. In die lange periode tot september 1944, zag hij zijn vrouw en kinderen zelden. Alleen in de late avond of in de nacht kwam hij het bos uit om noodzakelijke bezoeken aan familie of bekenden te brengen. Hij vermomde zich met een baard of een bril. Bij één van die bezoeken, in de zomer van 1944, bezocht hij de ‘Rayse Heij’ met zijn fiets waar toen ons hele gezin ‘op vakantie’ was. Omdat zijn kleinste kinderen, Severus, Eloy en Vincent, hun vader niet met eigen ogen mochten zien, we zouden daarover zeker met onze vriendjes op school gepraat hebben, keek mijn vader vanuit het bovenraam van het ‘Weversnest’ naar de kinderen beneden die op dat moment, volkomen onbewust van wat er gebeurde, op het strand van de vijver speelden.
Militaire eer
Een van de mensen die tijdens de oorlog tijdelijk onderdak op de ‘Rayse Heij’ vonden was Frans Jozef van Thiel. Hij logeerde er in de zomer van 1943 met zijn vrouw Carla Hoijng en hun kinderen, in het gezelschap van oom Sjef en tante Vera. Het was tijdens hun verblijf daar dat een Brits militair vliegtuig van de Royal Air Force bij een aanval op Duitse stellingen in de buurt (in het ‘Zuidbos’ van de ‘Rayse Heij’, vlakbij de Rijpelbergse weg) met groot lawaai neerstortte. De bemanning, bestaande uit piloot en schutter, kwam hierbij om het leven. De eerste man die hulp bood bleek een boer die, geknield en met zijn pet in de hand, naast het stervende lichaam van de piloot zat te bidden. De lichamen van de Engelse bemanning die oorspronkelijk met militaire eer door Duitse soldaten op de ‘Rayse Heij’ werden begraven, werden later naar het Britse militaire kerkhof in Woensel (Eindhoven) overgebracht. Als kind herinner ik mij het enorme gat in het bos waar het vliegtuig neerkwam en de vele kleine restanten van het vliegtuig, een ‘Spitfire’, die er nog lagen.
Kar, fiets, auto en benenwagen
Ook al lag de ‘Rayse Heij’ dichtbij Helmond, in de oorlog leek ze voor ons als kinderen, heel ver weg. Voor de oorlog gingen we meestal op de fiets of soms in de auto van Paps, een ritje van hoogstens tien tot dertig minuten.
Aan het einde van de oorlog waren er weinig of geen auto’s meer en al helemaal geen brandstof. De enige voertuigen waarmee je de ‘Rayse Heij’ kon bereiken waren een boerenkar met paarden, meestal van Boer Veldhoven, een fiets met houten banden of met een klein ‘glijerwieltje’ vooraan. Een alternatief was de z.g. ‘knalpijp’, een kleine vrachtwagen met een korte achterbak waarop een hoge ronde ketel stond die met gas gestookt werd en die tijdens de rit zo’n harde knallen veroorzaakte dat de mensen op de weg je van kilometers ver zagen aankomen. Origineel wel, maar comfortabel en veilig was anders. Meestal echter liepen wij van huis of school uit naar de ‘Rayse Heij’. Een wandeling van ruim een uur langs het waterpompstation, café ‘Boszicht’ en de zwaar uitgedunde bossen op de Bakelse Dijk.
Tot 1968, het jaar dat mijn vader Johan Raymakers plotseling stierf, is de ‘Rayse Heij’ vrij intensief door de familie Raymakers gebruikt. Als mede-directeur van de ‘Koninklijke Textielfabrieken J.A. Raymakers en Co’ droeg hij ook de zorg voor de ‘Rayse Heij’. Niet alleen had hij de verantwoordelijkheid voor het onderhoud ervan, maar ook voor het eerlijke gebruik door de hele familie. In die periode genoten niet alleen de kinderen en kleinkinderen van grootvader Frans van de ‘Rayse Heij’ maar ook zijn talrijke achterkleinkinderen.
Een hoogtepunt in die jaren was de zomer van 1963 toen de eerste grote familiereünie op de ‘Rayse Heij’ plaats vond. Hier waren, met uitzondering van oom Rud die in 1960 overleed, nog alle kinderen van grootvader aanwezig. Van die gebeurtenis zijn nog enkele foto’s en zelfs een film overgebleven.
Vandalisme en kraker
Aan het eind van de jaren zestig werd het praktische onderhoud van de ‘Rayse Heij’ een probleem. Niet alleen als gevolg van de financiële problemen bij de ‘Koninklijke Raymakers’, maar ook vanwege het opkomende vandalisme in Nederland. Ook de ‘Rayse Heij’ leed hier ernstig onder. De bescherming van het woonhuis en het theehuis werd een ware nachtmerrie. Het kilometers lange hek rondom het terrein werd regelmatig vernield. In het woonhuis werd meerdere malen ingebroken en eenmaal werd zelfs het meubilair in brand gestoken.
Het theehuis werd jarenlang ‘gekraakt’ door een bebaarde, radicale volgeling van Roel van Duyn die alle bevelen van de Helmondse wethouders, onder wie oom Sjef, aan zijn laars lapte. Bij zijn vertrek liet hij een totaal verwaarloosd en uitgeleefd theehuis achter, zelfs alle voorzieningen van waterleiding, gasleiding en het toilet van de muren waren losgerukt. In al die jaren heeft de Helmondse politie, ondanks talloze klachten, niet éénmaal ingegrepen! Herstel van al deze voortdurende vernielingen kostte tenslotte zoveel geld dat de familie Raymakers zich gedwongen zag om op zeker moment de ‘Rayse Heij’ te verkopen.
Verkoop ‘Rayse Heij’
In een brief, gedateerd op 22 juni 1978, van oom Sjef aan alle erfgenamen van grootvader Frans Raymakers, maakte hij bekend dat de Gemeente Helmond bereid was gevonden om een deel van de ‘Rayse Heij’ aan te kopen. Met toestemming van de hele familie werd het overige deel, te weten het woonhuis zelf met bijna vijf hectare land eromheen, inclusief het ven, aan Severus en mijzelf verkocht. Severus kocht tweederde van het landgoed en ik eenderde. Uitdrukkelijk verlangen van ons beiden was het om de ‘Rayse Heij’ te gebruiken voor een ‘goed doel’, te weten de opvang en rehabilitatie van ‘drugsverslaafden’ en andere mensen met problemen. Daarmee kwam een einde aan de lange geschiedenis van de ‘Rayse Heij’ als gemeenschappelijk bezit van de hele familie Raymakers.
Periode 1978-1986
Tussen 1968 en 1978 is Severus waarschijnlijk meer op de ‘Rayse Heij’ geweest dan enig ander lid van de familie. In zijn vrije tijd bracht hij er vele weekeinden door, vaak gewapend met een bijl, zaag of snoeischaar, om de flora en fauna van de ‘Rayse Heij’ te leren kennen. Met als doel de hele natuur in haar oorspronkelijke situatie terug te brengen.
Het verwaarloosde bos werd geschoond en wat eens een ‘vijver’ was met witte stranden werd een prachtig groot ven, waar alle authentieke planten, waaronder struikhei, dophei en mosplanten, insecten, talloze vogels en klein wild langzaam maar zeker weer terugkwamen.
Slot
In 1983 verscheen een paginagroot artikel in de krant, geschreven door de bioloog Frits Goyaerts, met de veelzeggende titel: ‘De ‘Rayse Heij’, de Parel van de Bakelse Bossen’. Die conclusie geldt niet alleen voor hem maar des te meer voor velen van ons ‘Rayen’ die ieder op zijn of haar wijze, vier generaties lang, aan deze ‘Parel’ zulke heerlijke en onvergetelijke herinneringen hebben overgehouden.
Eloy Raijmakers
(12-11-2008)